De Brake-Poel-Wijmers



Geschiedenis van de Brake-Poel-Wijmers en de Medemblikker meelmolens


Totale oppervlakte 163 ha.

Dit gebied van West-Nederland behoorde eens tot de Rijndelta die bij Bergen de Noordzee instroomde. Ook de Overijsselse Vecht en de
Gelderse IJssel stroomden door de latere Zuiderzee en West-Friesland richting Callantsoog. Rond 800 v. Chr. sloten de duinen deze rivieren af en in de 1500 jaar daarna ontstond er een veenpakket met een dikte van 3 meter. Enkele kreken (zeestromingen) doorbraken dit gebied en voerden enorme massa’s zand en klei aan.

Vanaf Medemblik begint in 800 de ontginning. De stad ontwikkelde zich aan de oevers van het veenriviertje, de Middenleek.
Door de ontwatering krimpt het veenpakket en zware stormvloeden doen een aanslag op het moerasbos en veen. De Allerheiligenvloed in 1170 doet de latere Zuiderzee ontstaan. Grote gebieden ook ten oosten van de stad worden weggeslagen. De namen Vlied (betekent verdwijnen)
Brake, Breek en Poel spreken voor zich.

Na het sluiten van de Omringdijk in 1250 ontstaat er een nieuwe waterstrijd tegen het binnenwater. Door de inkrimping van de bodem en een groot aantal weidemolens, zijn de Zijdt- of spuisluizen niet in staat om voldoende boezemwater te lozen. Na een proces bij het Hof van Holland komt de Molenakte in 1537 tot stand met de verplichting om de waterafvoer gezamenlijk te bekostigen.

In 1631 vermeldt de Cronyk van Medemblik dat de regenten (stadsbestuur) een plan hebben om de eerder genoemde gebieden door een ringsloot te bedijken “waarover veel misnoegentheden waren, opdat het rietland zonder vergoeding van de eigenaren wordt afgenomen”. Hieruit blijkt dat er voordien al agrarisch gebruik was, waarschijnlijk met inzet van de houten poldermolens.

De regenten krijgen octrooi op de St. Jakobzdag, 25 juli 1631. De grondeigenaren worden betaald en het waterschap stelt de verplichting dat er op het Zijdtwerk - molenkolk aan de Oosterdijk - een extra achtkante Vijzelwatermolen moet worden gebouwd met een jaarlijkse bijdrage van fl. 200,-.
De eerste Ruilverkaveling in de V.N.K. komt tot stand. Eeuwenlang is deze nieuwe polder door een achtkante Vijzelmolen ontwaterd geweest.

Uit de Ligger der Afwatering 1925 blijkt dat deze molen om welke reden dan ook vervangen is door drie Amerikaanse windmotoren en dan de
interessante vermelding dat in 1928 er twee geldleningen aangegaan worden. Eén lening groot fl. 1.500,- tegen 5% per jaar (t.b.v. een windmotor in het Lichte water van de firma Kletsch-Saksen en een Aeolus windmotor met een roosdiameter van 5.5 m. voor de Wijmers en de Poel) en een
lening groot fl. 6.000,- tegen 5% per jaar voor een Aeolus windmotor van de firma Loning uit Groningen met een roosdiameter van 7 meter,
een ashoogte van 7.8 meter en de totale hoogte 11.4 meter. Dit is de molen waar u zich nu bevindt.

Het Lichte water was de diepste polder 3,32 m-NAP. De Brake en Poel liggen 2,99 m-NAP en de Wijmers 3,09 m-NAP. Zij waren door
grondduikers met elkaar verbonden.

Op 18 april 1979 wordt de Stichting Brakepolder Watermolen opgericht. De initiatiefnemers zijn de heren J.C. van Leverink en B. Hoekstra.
Een lange weg van financiering en restauratie in de jaren daarna moest nog volgen.
Het Waterschap West-Friesland herstelde de watertoe- en afvoer. Na veel geduld en inzet van diverse particulieren en bedrijven in Medemblik wordt de molen door de firma. B. Dijkstra uit Sloten gerestaureerd, ook de vijzel wordt vernieuwd, de capaciteit  is 120 L./sec. of ca. 7 m3 per
minuut! Op vrijdag 23 september 2011 komt de terugplaatsing tot stand.

In de jaren 1975-1980 komt de Ruilverkaveling tot uitvoering. De eens zo rustige Brakeweg en polder wordt doorkruist door de Markerwaardweg.
Waar eens de Drooge Wijmers, de Jaagin en de Missloot de waterwegen waren, ligt nu een rotonde met daarbij de windmolens van onze tijd.
Waar eens tientallen boeren en tuinders noest handwerk deden, verrichten nu de moderne landbouwmachines het werk en staan er megastallen en koelhuizen van de agrariërs. De waterafvoer gaat via stuwen en binnengemalen richting Onderdijk, de electromotoren kunnen daar per minuut 1450 m3 het IJsselmeer inpompen. Veel veranderde, maar wat blijft, is de aarde die haar vruchten geeft!

Atze Kamma , Opperdoes - 2016


                                

Geschiedenis van de Medemblikker meelmolens


Meelmolen De Herder en haar voorgangers

Eeuwenlang hebben windmolens het aanzicht op de stad Medemblik bepaald. Langs de Oosterdijk zag men een concentratie van watermolens voor de beheersing van het binnenwaterpeil en aan de zuidkant van Medemblik stonden meerdere houtzaagmolens. Deze waren nauw verbonden met de houthandel, ooit een belangrijke pijler van de Medemblikker economie.  Tenslotte vormden de meelmolens een niet te missen onderdeel van het stadsaanzicht. Van oudsher kon de burgerij van Medemblik van twee meelmolens gebruikmaken: de Westermeelmolen en de Zuidermeelmolen. Dit verhaal is een kennismaking met beide meelmolens op basis van een artikel door Peter Swart geschreven in Jaaruitgave 2009 van de Oudheidkundige Vereniging Medenblick.

Schakel in de voedselvoorziening

Meelmolens waren een onmisbare schakel in de voedselvoorziening. In de molens werd het graan van de bakkers tegen een vergoeding tot meel verwerkt. Ook bierbrouwers lieten hun grondstoffen zoals gerst en boekweit in een meelmolen verwerken. Het malen was strikt gereglementeerd vanwege het belang in de voedselketen en vanwege de belasting die op het malen van toepassing was . Deze zogenoemde impost op het gemaal vormde een belangrijke bron van inkomsten voor de overheid.

Er bestond een verband tussen het aantal meelmolens en het aantal inwoners van een stad of dorp. Uit onderzoek naar meelmolens in Hoorn en Enkhuizen blijkt dat ongeveer 2.000 inwoners het exploiteren van één meelmolen rendabel maakten. Deze verhouding was gedurende de zeventiende en achttiende eeuw redelijk constant.

De meeste meelmolens in Holland waren eigendom van particulieren. Omdat met de bouw en exploitatie van een meelmolen veel kapitaal was gemoeid, kende een molen vaak meerdere eigenaren. Zij verkregen inkomsten in de vorm van maalloon. Dat wil zeggen dat de eigenaren voor iedere zak gemalen graan een aantal stuivers ontvingen. De hoogte van het maalloon werd door het stadsbestuur vastgesteld. Het werk in en rond een meelmolen werd verricht door een molenaar en zijn knecht. Menig molenaar was tevens (mede)eigenaar van zijn molen. Een voorbeeld hiervan is Arijaen Jacobsz, die in 1660 „molenaer ende eijgenaer van de halve westermeelmolen’ in Medemblik was.

Over de vroegste geschiedenis van de meelmolens in Medemblik is weinig bekend. Op de kaart van Jacob van Deventer uit omstreeks 1565 staan zowel de Westermeelmolen als de Zuidermeelmolen afgebeeld. Aangezien de eerste windmeelmolens in Holland rond het jaar 1300 werden geïntroduceerd, mag worden aangenomen dat de bevolking van Medemblik zeker in de vijftiende eeuw al een molen tot haar beschikking had. De Westermeelmolen was te vinden nabij de plaats waar nu De Herder staat